Situationeel leidinggeven
Situationeel leidinggeven is het afstemmen van je manier van leidinggeven op de medewerker, de taak en de situatie. Het model van Hersey en Blanchard onderscheidt vier stijlen van leidinggeven en helpt bepalen welke stijl in een bepaalde situatie het meest passend is. Medewerkers verschillen in ervaring, kennis, motivatie en zelfstandigheid. Ook taken verschillen. Een effectieve leidinggevende schakelt daarom flexibel tussen verschillende stijlen en past het eigen gedrag aan, aan wat de situatie vraagt.
Sturing en ondersteuning
Leidinggevenden hebben te maken met zowel taken als mensen. Om resultaten te bereiken, zijn daarom twee vormen van gedrag belangrijk:
Sturing
Sturing is taakgericht gedrag: de mate waarin de leidinggevende duidelijkheid geeft over taken, verantwoordelijkheden en verwachtingen. Denk aan:
- Wat moet er gebeuren?
- Hoe moet het gebeuren?
- Wanneer moet het gebeuren?
- Waar en waarmee?
- Wie doet wat?
Ondersteuning
Ondersteuning is relatiegericht gedrag: de mate waarin de leidinggevende investeert in de relatie en tweerichtingscommunicatie. Denk aan:
- Luisteren en doorvragen.
- Aanmoedigen en motiveren.
- Voorwaarden creëren.
- Toelichten en uitleg geven.
- Begrip tonen.
- Aansluiten bij de behoeften en situatie van de medewerker.
De combinatie van sturing en ondersteuning vormt de basis voor de vier stijlen van situationeel leidinggeven.
Competentie van de medewerker
Om effectief leiding te geven, is het belangrijk om bij het verdelen van taken in te schatten of een medewerker de taak succesvol kan uitvoeren. De kernvraag is: Wie kan wat?
Daarvoor kijk je naar de competentie van de medewerker: de mate waarin iemand in staat én bereid is om een taak succesvol uit te voeren. Twee aspecten zijn daarbij belangrijk:
1. Bekwaamheid
Heeft de medewerker de benodigde kennis, ervaring en vaardigheden om de taak uit te voeren?
2. Bereidheid
Heeft de medewerker voldoende motivatie en zelfvertrouwen om de taak op zich te nemen en uit te voeren?
Door beide aspecten mee te nemen, kun je beter bepalen welke mate van sturing en ondersteuning de medewerker nodig heeft.